Insect van de maand: mei 2019
door: Ton Willems

Waterschorpioen Nepa cinerea

i68.WaterschorpioenTonW

De Waterschorpioen voorheen Nepa rubra genoemd behoort tot de waterwantsen.
De waterschorpioen komt bijna in geheel Europa voor, behalve in het noorden van de Scandinavische landen en het noorden van het Verenigd Koninkrijk.

In Nederland is de waterschorpioen een algemene soort die voorkomt in verschillende wateren zoals vennen en sloten en andere, liefst stilstaande heldere wateren. Belangrijke kenmerken van deze wants zijn de tot vangarmen gevormde voorpoten en de adembuis. De waterschorpioen is een geduchte rover, een echte carnivoor, maar is een slechte zwemmer die stromend water vermijdt. Ondanks dat de vleugels goed ontwikkeld zijn is het vermogen om te vliegen zeer slecht. Dit komt door de reductie van zijn vliegspieren. Alleen indien het water waarin hij zich bevindt opdroogt, zal hij gaan vliegen.

 

De waterschorpioen houdt zich voornamelijk op aan de oever van het water tussen de waterplanten of deels in de modder waarbij de adembuis contact heeft met de buitenlucht.
Daar wacht hij op voorbijkomende prooidieren. Dit kunnen zijn allerlei voorbijkomende insectenlarven, jonge visjes en kikkervisjes.

De volwassen exemplaren hebben een lichaamslengte tussen de 17 en 22 mm exclusief de adembuis. Deze heeft een lengte van circa 10 mm. De onderzijde van deze wants is lichtbruin tot geelbruin van kleur. De bovenzijde is bruin tot donkerbruin. Echter dit komt omdat de vleugels het gehele achterlijf bedekken. Als de waterschorpioen zijn vleugels opent wordt een oranjerode tot scharlakenrode kleur zichtbaar. Deze kleur schijnt vijanden af te schrikken. De nimfen zijn over het algemeen lichter van kleur.

Aan de voorzijde van de in verhouding kleine kop zit een zuigbuis ofwel rostrum genoemd. Dit rostrum wordt in de prooi gestoken en het prooidier wordt leeggezogen. Het pronotum ofwel halsschild is flink ontwikkeld.
De voorpoten wijken geheel af van de overige 4 overige poten. Deze voorpoten staan helemaal naar voren en lijkt alsof ze uit de kop komen. Dit is niet het geval maar komen uit het borststuk. De heup en het gewricht tussen de heup en de dij van deze voorpoot zijn sterk vergroot. De dij en de scheen is het grijporgaan. De scheen heeft een rand die exact in een groef van de dij past zodat de “voorpoten” nauw op elkaar aansluiten. De tarsi van deze poten zijn samengevoegd en lijken daardoor op een nagel. Met deze tarsi worden de prooien vastgespiest.
De tarsus (meervoud tarsi) van een insect is een structuur aan het einde van de poot waarmee het dier contact houdt met de onderlaag.


Bij nagenoeg alle wantsen zijn de voorvleugels verhard en worden dekschilden genoemd. Deze voorvleugels lopen schuin over het midden waardoor er een driehoek ontstaat waarin een driehoekig schildje wordt gevormd. De achtervleugels zijn dun en donker gekleurd met een oranjerood gekleurd netwerk van vleugeladeren.

De adembuis bestaat uit twee achterlijfsaanhangsels. Deze liggen naast elkaar en doordat ze hol zijn ontstaat een buis. Beide zijden zijn middels in elkaar stekende haartjes met elkaar verbonden. Het uiteinde van de buis is voorzien van een krans van fijne haartjes die de oppervlaktespanning wegneemt waardoor de adembuis blijft drijven en niet volstroomt met water. Omdat het lichaam door de ingeademde lucht lichter is dan water kan de wants aan het wateroppervlak hangen.

De nimfen zijn duidelijk kleiner en missen de achtervleugels en dekschilden van de imago’s  en hebben hierdoor een duidelijk gesegmenteerd achterlijf. In de eerste stadia is het achterlijf geribbeld, de lichaamsvorm is nog niet zo afgeplat als bij de volwassen exemplaren en de vleugels zijn slechts zichtbaar als kleine stompjes. Nimfen hebben een verhoudingsgewijs kleinere adembuis en bij heel jonge exemplaren is deze adembuis zo klein dat deze niet te zien is.
De nimfen hebben ook een afwijkende kleur, van roodbruin tot zandkleurig.

De waterschorpioen is een solitair insect maar in het voorjaar zoeken de mannetjes en vrouwtjes elkaar op om voor nageslacht te zorgen. Tijdens de paring zit het mannetje altijd schuin op het vrouwtje, hij gebruikt zijn vangpoten om haar vast te houden. Na de paring zet het vrouwtje haar eitjes af in drijvende plantendelen waarbij vaak rottende planten worden uitgekozen. Dit vindt meestal in de maand mei plaats en het vrouwtje zet de eitjes altijd 's nachts af. De eitjes zijn erg klein maar te herkennen aan de zes tot negen draadjes die boven water uitsteken en worden gebruikt om te ademen.

De waterschorpioen heeft een onvolledige metamorfose in vijf stadia. Alle vervellingen geschieden onder water. Rond augustus zijn de nimfen volwassen.

Foto’s internet
Tekst deels Wikipedia