Verslag: 10 decembert 2015 - Graslanden, afbraak en herstel


Op 10 december 2015 heeft Gijs Clements ons (14 toehoorders) in 2015 12 10 graslandSlagenlandschap 11-08-2011een intrigerend en enthousiaste presentatie verteld over de bloemrijke graslanden. Toegespitst op de ontwikkelingen tot nu toe, wat er mis gaat en hoe een en ander te herstellen.
De opbouw is als volgt:
            1. De zoektocht naar mest
            2. Van grasland naar akker.
            3. Herstel

1. De zoektocht naar mest
Werd vroeger een perceel in gebruik genomen als akker, dan werden eerst de bomen gekapt. Na verloop van tijd verarmde de akker en was deze alleen nog goed voor grasland. Was ook deze verschraald dan bleef er heide over. Totdat het voedsel echt op was en er dus stuifzand over bleef, zoals de Loonse en Drunense duinen.
Wetenswaardigheidje: zo is het plaatsje Efteling onder het zand verdwenen.

2. Van grasland naar akker
Historisch situatie: meer kruiden dan grassen, op een dunne zuurstofrijke bodemlaag (soortenrijk) en daaronder een zuurstofarme bodemlaag.

Toen kwam de ontwikkeling van kunstmest. Onderzoek vanaf 1850 en een stijgend productie, 100 jaar later, na de oorlog. Met als gevolg meer voedingsstoffen dan de omgeving oplevert, eerst vooral akkers, maar daarna stijgend op gras.

Kunstmest:
N = Stikstof, nitraat en ammonium.
P = Difosforpentoxide
K = Kalium
en ook zwavel ( sulfaat).

Gevolg is dat gras sneller en hoger groeit. Dus minder zonnewarmte op de grond (=probleem). Concurrentie om licht stijgt.

Van meer gras naar meer hooi (om te oogsten). Dus moet ook het grasland jaarrond begaanbaar zijn en gaan we ontwateren (=probleem). Dus vaker maaien, waardoor minder kruiden.

Huidige situatie: meer inkuilen, minder hooi, waardoor minder zaden en insecten, immers de eitjes gaan met de afvoer de kuil mee in.
Zonder bloemen geen bijen, en viseversa. Bijvoorbeeld de beemdkroon, die bestoven wordt door de knautiabij. Uiteraard heeft een volk bijen een minimum aantal bloemen nodig. Anders verdwijnt de bij en verdwijnt de plant.
Zonder bloemen geen vlinders. Parelmoervlinders: rups leeft op viooltje, bij vraat maakt het viooltje antistoffen, dus is er een viooltje op kruipafstand noodzakelijk.

De opkomst van de trekker. Normaal Zuurstof, koolstofdioxide en water in de bodem. Maar nu wordt de bodem verdicht en dus minder gasuitwisseling. Minder water kan wegzijgen. De zuurstofrijke laag wordt dunner. Bacterie, lactaat, verzuring. Plantenwortels hebben moeite om (de diepte in) te groeien. Minder bodemleven en uiteindelijk verlaging van de productie.
Met name de bodemverdichting is zeer groot probleem, ploegen helpt daarbij niet, want je verstoort de hele bodemlaag. Immers de zuurstofrijke laag, komt dan in een anaerobe situatie.

Verzuring door bodemverdichting, stikstofdepositie, waarbij ammoniak omgezet wordt in salpeterzuur. Door het vrijkomen van H+ vind er een uitwisseling plaats met Aluminium. Door het vrijkomen van aluminium gaan de wortels dood.

Is alleen N, P en K voldoende? Leven heeft ook eiwitten nodig. Altijd ook een metaalatoom (Kobaltgebrek: tekort aan vitamine B12, Nikkelgebrek: ureum vergiftiging, etc.). Dus maatregelen nodig, zoals kalk, compost en groenbemesting voor de sporenelementen.

Kwaliteitsverlies door bemesting, immers door overmaat aan N, P en K, minder opname door andere stoffen. Dit probleem stapelt zich op, aangezien de rups die van het gewas eet, heeft zich vol gevreten, maar geen sporenelementen binnengekregen. De tapuiten die die rupsen eten, krijgen hun jongen op hun beurt weer niet groot gebracht.

Het einbeeld: de grasAKKER.
Problemen van de grasakker. Monocultuur, grote vraatbedrijging, dus veel bespuiten. Constante aanvoer van nutriënten noodzakelijk.
Muizenprobleem? Groot voedselaanbod, weinig natuurlijke vijanden.

3. Herstel
Op een aantal plekken kun je niets meer uitrichten, maar een aantal plekken wel.
Waarom herstel? Ecologie, gezondheid, kruiden voorkomen ziektes en stress, klimaatbuffer.
Problemen zoals genoemd: verdroogd, verzuurd, vermest, bodemprocessen staan stil en bronpopulaties zijn heel ver weg.

De knoppen waarmee we kunnen sturen:
- Maaien, afvoer droge stof, niet om nutriënten-balans te herstellen. Wel gevaar voor opkomst van plaagsoorten, zoals Jacobskruiskruid en Pitrus.
- Uitlijnen, dus gericht bepaalde voedingsstoffen toevoegen.
- Plaggen, heel snel een berkenbos.
- Maaisel uitstrooien, dus zaden en organisch materiaal toevoegen. Maar let op voor intensieve soorten.
- Hydrologie verbeteren. Veel knelpunten en veel geld nodig.
- Bodem aanenten. Plaggen vanuit andere gebieden aanbrengen. Bijvoorbeeld blauwgrasplaggen.
- Actief introduceren van sleutelsoorten.
- Grazen, zout strooien voor elementen, verbinden (EHS, NNN, Nederlandse NatuurNetwerk).
- Compostthee, het aërobe deel van de bodem met bacteriën, uit een gebied enten naar je doelgebied.

Sturen op kwaliteit. Dus goed inventariseren wat je hebt en niet wil, dus het doel en daarmee de maatregelen bepalen. Blijven monitoren.

Voorbeeld weidevogelgrasland:
Groot open gebied met veel goed voedsel (wormen), dus geen bodemverdichting.
Goed maairegime en niet te dichte vegetatie. Geen verstoring! Wel mozaïk, oftewel diverse biotoopjes binnen het weidegebied.
Veelbelovend blijkt het om eerst een paar jaar als akker te beheren.
Daardoor ben je van de dominante grassen af.

Voorbeeld Kettingdijk (grenspark Kettingbroek):
Landbouwgrond omvormen naar klimaatbuffer.
Bodem en hydrologisch onderzoek.
Rijke toplaag verwijderen. Enten op basis van bodem en hydrologie.

Voorbeeld pimpernelblauwtje:
Legt eitjes op grote Pimpernel, rups eet zich vol en laat zicht vallen.
Moerassteekmier zorg voor de overwintering van de pop. Ook springstaarten zijn noodzakelijk.
Door herintroductie, was de populatie zo snel groot geworden dat het gebied te klein was.
Opgave, minimaal 40 hectare schraalgrasland aanleggen in agrarisch gebied.
Eerst ruilverkaveling, vervolgens afgraven, wel jaarlijks maaien.


Tekst: Arjan Timmer
Foto:  Wim Schoenmakers - Slagenlandschap 11-08-2011