Vogel van de maand: april 2019
door: Hannie Nilsen

 Kraanvogel (grus grus)  deel 1.

Kraanvogel1kraanvogelsMijn eerste ontmoeting met een kraanvogel was ongeveer 45 jaar geleden. Destijds een magische gebeurtenis. Met enkele medestudenten trokken we op de bonnefooi door het onherbergzame Noorwegen. ’s Avonds zochten we een mooi plekje voor de tent, maakten een kampvuurtje en dronken wat. Alcohol was toen in Noorwegen nauwelijks te krijgen maar die dag hadden we in de supermarkt allerlei kleine flesjes drank ontdekt. Sterk spul, dat wel, maar bij het kampvuur smaakte het voortreffelijk.
Hoe sterk het drankje was, merkten we pas toen het rond middernacht wat donkerder en nevelig begon te worden. Bij het vennetje stonden plotseling 4 struisvogels! Een fantastisch gezicht maar we schreven deze verschijning ogenblikkelijk toe aan de effecten van de alcohol. Want we wisten wel dat er in Noorwegen geen struisvogels voor kwamen. En van kraanvogels hadden we toen nog nooit gehoord.

Pas jaren later ontdekten we dat deze flesjes smaakstof helemaal geen alcohol bevatten en dat we daar aan dat vennetje  een ontmoeting met 4 kraanvogels hadden gehad.Duizenden kraanvogels later herken ik ze wel maar nog steeds blijft het iedere keer magisch om deze prachtige vogel te zien of te horen. Met een beetje geluk kan dat zelfs in Nederland. In trektijd vliegen duizenden kraanvogels in groepen over het oosten van ons land, soms met wel 100-150 vogels tegelijk. En waait de wind uit het oosten kun je ze zelfs boven Oisterwijk af en toe zien. In maart op weg naar hun broedgebied in de hoogveenmoerassen van Scandinavië of in oktober-november op weg naar hun overwinteringsplaats in Spanje. Hun luide gruh-gruh, waaraan ze hun naam te danken hebben, is dan vaak al van ver te horen.

Sinds 2001 zijn ze na zeker 300 jaar afwezigheid ook als broedvogel weer terug in Nederland. Nadat gedurende enkele jaren in het Fochteloërveen steeds overzomerende exemplaren werden waargenomen, verbleven er hier in 2001 drie paartjes gedurende de broedtijd. Eén van deze koppeltjes kreeg datzelfde jaar begin mei een jong. In 2003 kwam ook een tweede stelletje tot broeden. Sindsdien zijn er ieder jaar broedgevallen geweest, in 2012 ook in het Dwingelderveld en in 2018 waren er zelfs enkele broedgevallen van kraanvogels in Noord-Brabant en Limburg. In Gelderland en Overijssel zijn inmiddels ook broedgevallen bekend. Vernatting van een aantal natuurgebieden in combinatie met een flinke groei van de aantallen in Duitsland en Scandinavië zijn hier debet aan. In 2007 werd zelfs het eerste broedgeval in Groot-Brittannië geregistreerd.

In 2018 verbleven er in broedtijd 32 paartjes kraanvogel in Nederland. Daarmee is de populatie spectaculair gegroeid, met maar liefst 45% ten opzichte van 2017. Driekwart van deze koppels verbleef in Drenthe en Friesland.
Hoewel kraanvogels niet bepaald schuw zijn, is de soort wel erg gevoelig voor verstoring in het broedseizoen. Het broedresultaat is gemiddeld ongeveer 0,5 volgroeid jong per nest. Dat is ook de reden dat de soort in Nederland als gevoelig op de Rode Lijst staat.
Op de internationale Rode Lijst van de IUCN staat de kraanvogel als niet-bedreigd, de grootte van de populatie wordt geschat op 360.000 tot 370.000 individuen.

Echt gevaar voor uitsterven van de soort is er dan ook (voorlopig) niet, ook al omdat de soort een groot verspreidingsgebied heeft en als omnivoor minder afhankelijk is van het voorkomen van bepaalde voedselsoorten. 

In 2018 was het broedresultaat in Nederland helaas aanzienlijk slechter dan het gemiddelde van 0,5 jong per nest. In totaal hadden 25-26 paren een nest met eieren en daarvan kregen 12 paren kuikens. Van de 20 getelde kuikens vlogen er uiteindelijk 7 uit. In verhouding tot het aantal broedparen (32) is dat een teleurstellend eindresultaat. De verklaring zit in twee factoren. Door de droogte werd het voedsel schaars en werden nest- en slaapplaatsen bereikbaar voor predatoren. Daarnaast kostte de recreatiedruk twee kuikens het leven.  Ook verstoring door les- en sportvliegtuigen boven het Fochteloërveen is een steeds groter probleem.

Maar er zijn wel meer factoren te noemen die nadelig kunnen werken op de stand van de kraanvogel. Versnippering van broed- en foerageergebieden zoals rietvelden, hoogveenmoerassen en akkerbouwgebieden door de aanleg van infrastructuur speelt een belangrijke rol. Ook veranderingen in de keuze van gewassen, het onderploegen van oogstresten en verdroging zijn een bedreiging voor de populatie. Verder vallen er slachtoffers door hoogspanningsleidingen en in Zuid-Europa en Noord-Afrika worden de kraanvogels nog bejaagd.

Wie kraanvogels wil zien, kan het beste zijn geluk beproeven op één van de bekende locaties waar ze zich in voor- en najaar verzamelen.  Enkele mogelijkheden zijn:

  • Het gebied rond Lac du Der-Chantecoqin het noorden van Frankrijk
  • De Diepholzer Moorniederung ten westen van de Duitse plaats Diepholz
  • Het eiland Rügenin de Oostzee.
  • Het Hornborgameerin Zuid-Zweden, ongeveer 150 km ten noordoosten van Göteborg
  • Getterön natuurreservaat in Varberg, ongeveer 100 km ten zuiden van Göteborg.

Op deze plaatsen komen duizenden vogels bij elkaar. Soms worden ze bewust bijgevoerd of zijn er afspraken met landbouwers over het laten liggen van oogstresten en het handhaven van de rust. Ecotoerisme wordt soms gefaciliteerd door de bouw van observatietorens en -tribunes.
In het voorjaar zullen de meeste vogels maar kort op deze verzamelplaatsen verblijven. Als het weer het toe laat, vliegen ze meteen door naar hun broedgebied. In het najaar is die urgentie er niet en  liggen de aantallen nog hoger dan in het voorjaar.

Het is juist die massaliteit die het extra bijzonder maakt om op deze verzamelplaatsen de kraanvogels te zien. Met een beetje geluk zie je hier ’s ochtends groepen van  50-150 vogels als een kurketrekker opstijgen op de thermiek tot het slechts kleine stipjes zijn, nauwelijks  waarneembaar met het blote oog. Moeiteloos zweven ze daar, met slechts af en toe een vleugelslag terwijl er steeds nieuwe groepen bijkomen.

Ook de balts die je, zeker in het najaar, mee kunt maken is een bijzonder fenomeen. Daarover, en over de broedbiologie, volgende maand meer.

Tekst: Hannie Nilsen
Foto’s: Aad van Gelswijk (Lac du Der, februari 2019)