Vogel van de maand: juli/augustus 2018
door: Hannie Nilsen

 Kokmeeuw  (Chroicocephalus ridibundus)
Kokmeeuw1kokmeeuw - volwassen zomerkleding
De afgelopen maanden zijn de zwarte vogels ruimschoots aan bod gekomen. De verschillen en eigenaardigheden van zwarte kraai, roek, kauw en raaf werden duidelijk uiteengezet. En als laatste een verslag van een merelpaartje dat in de tuin nestelde en daar een vergeefse poging deed om voor nageslacht te zorgen. Nu als tegenwicht voor al dat zwarte een witte vogel, de kokmeeuw.

Meeuwen kom je vrijwel altijd tegen in onze directe omgeving. Stormmeeuwen op de akkers, zilvermeeuwen bij de waterzuivering en de kleine mantelmeeuw bij het Wilhelminakanaal. De vierde soort die je hier bijna overal aantreft is deze vogel van de maand, de kokmeeuw. In Nederland broedt verder nog de grote mantelmeeuw en de zwartkopmeeuw, maar deze soorten zien we voornamelijk dichter bij de kust.

Incidenteel worden nog andere soorten gezien zoals de Pontische meeuw die hier in de omgeving regelmatig wordt waargenomen bij het Leikeven en de geelpootmeeuw die vooral in de periode juli-oktober steeds vaker vooral langs de kust wordt gespot. Schaarse wintergasten of doortrekkers tenslotte zijn dwergmeeuw, grote en kleine burgemeester. Deze soorten worden ook overwegend langs de kust gezien.
Evenals kauwen en kraaien zijn meeuwen een bekende, en vaak verguisde soort, juist omdat ze graag in de omgeving van mensen verblijven. Onze manier van leven zorgt ervoor dat veel meeuwen bij ons een fantastisch foerageergebied hebben gevonden. Niet iedereen is hier blij mee, integendeel zelfs, maar voor de meeuw is de stad vaak een makkelijk toegankelijke snackbar. Dat we dit vooral aan ons eigen gedrag te danken hebben, snapt niet iedereen. Maar een frietje naast een prullenbak, een weggegooid lunchpakket in het park of een half brood langs het kanaal voor de eendjes….. meeuwen zijn blij met deze mogelijkheid om makkelijk aan voedsel te komen.kokmeeuwkokmeeuw-volwassen
Ze overnachten graag in kolonies op gemeenschappelijke, beschutte slaapplaatsen waar ze met meerdere soorten de nacht doorbrengen maar een afstand van 40-50 km naar het foerageergebied is geen enkel probleem, zeker niet als ze daar zonder veel inspanning voldoende voedsel vinden. Zo liet een onderzoek zien dat in Amsterdam foeragerende meeuwen overnachtten op Texel.
Kleine meeuwensoorten foerageren gewoonlijk op de velden of in ondiep water waar ze allerlei kleine diertjes oppikken, de grotere soorten leven van vis en aas. Vis die ze zelf vangen of die ze andere vogels afhandig maken. Ook pakken ze wel eieren of jongen van andere watervogels zoals eenden. Kortom, echte alleseters, die opportunistisch alles eten wat ze (makkelijk) kunnen krijgen. Dus ook op de vuilnisbelt of de parkeerplaats van de McDonalds. Wie heeft nooit meeuwen zien vliegen achter een vissersboot of een ploeg? Door soortgenoten in de gaten te houden weten meeuwen waar iets te halen is. De kokmeeuw is hier gewoonlijk als eerste bij.
De volwassen kokmeeuw is vooral ’s zomers makkelijk te herkennen aan zijn donkere, chocoladebruine kop in combinatie met zijn donkere roodbruine snavel. Ook de poten zijn rood. De witte oogring valt is nu goed te zien. In de winter verdwijnt de zwarte kop en zie je alleen wat donkere vlekken op de kop, een soort ‘koptelefoontje’. De poten en snavel zijn in het winterkleed wat lichter van kleur. Tijdens de overgang van winter- naar zomerkleed (ook wel broedkleed genoemd) krijgt deze meeuw een vlekkerige zwart-witpatroon op zijn kop. Je ziet vaak allerlei vormen tegelijk waarbij sommige vogels nog helemaal in winterkleed zijn, terwijl andere al een volledig donkere kop hebben.
Een ander kenmerk van de kokmeeuw is de witte vleugelboog. Vooral in de vlucht goed zichtbaar aan de bovenzijde en iets minder duidelijk ook aan de onderzijde. Als je dit herkent, is het eenvoudiger een kokmeeuw te ontdekken tussen andere meeuwensoorten. Een vergelijkbaar vleugelpatroon zien we verder alleen bij soorten die zich hier nauwelijks laten zien zoals dunbekmeeuw, kleine kokmeeuw en de grijskopmeeuw, alle drie zeldzame dwaalgasten.
De naam is waarschijnlijk een onomatopee, een klanknabootsende naam van het geluid dat kokmeeuwen maken, het kokkeren of kakelen zoals het ook wel genoemd wordt. Vaak maken ze in de lucht ook spottende, lachende geluiden, vandaar de bijnaam lachmeeuw. In het Duits heet deze soort daarom lachmöwe. Ook de Franse naam, mouette rieuse, verwijst hier naar. Nederlandse dialecten spreken van spotmeeuw en spotter.

In de wetenschappelijke naam staat ridibundus voor ‘lachende meeuw’. Begin deze eeuw werd na onderzoek de indeling van de verschillende meeuwensoorten veranderd. De kokmeeuw behoort nog steeds tot de familie Laridae maar de geslachtsnaam veranderde. De kokmeeuw heette niet langer Larus ridibundus maar Chroicocephalus ridibundus. Een ander geslacht dus maar nog steeds lachend.
De kokmeeuw broedt in kolonies, soms met duizenden paren. Ze maken een eenvoudig nest op de grond, bij voorkeur in niet te hoge vegetatie. Eind april, begin mei leggen ze 2-3 eieren, ze hebben slechts één legsel per jaar. Na 22-26 dagen komen de eieren uit, de jongen zijn nestvlieders en zijn na 35 dagen vliegvlug. De kokmeeuw is in deze tijd een agressieve vogel die eieren en jongen goed beschermd tegen predatoren. Andere vogels zoals de geoorde fuut, visdief en kluut profiteren hiervan door in de directe nabijheid te broeden. Vaak liggen de nesten tussen de nesten van de kokmeeuwen in, een veilig plaatsje.
Jonge kokmeeuwen zijn bruin-grijs op kop en rug, naarmate ze ouder worden verdwijnt de bruine kleur. Verder hebben ze een geelachtige snavel met een zwarte punt en een zwarte band aan het einde van de staart. Dat laatste is kenmerkend voor juveniele meeuwen, het is dus geen goed determinatiekenmerk. Na 2 jaar is een kokmeeuw volwassen. Dit is erg snel voor een meeuw. Stormmeeuwen zijn pas na 3 jaar volwassen, zilver- en mantelmeeuwen doen er zelfs 4 jaar over. De kokmeeuw broedt in kolonies.
Hoewel de kokmeeuw, die in heel Europa voorkomt, hier het hele jaar gezien wordt, is het toch een trekvogel. De kokmeeuwen die we ’s winters zien, komen vooral uit Scandinavië en de Baltische staten. Onze vogels trekken in de winter merendeels naar Zuid-Europa waar de rest van het jaar geen kokmeeuwen voorkomen.
Kokmeeuwen zijn de vorige eeuw van ’zeemeeuwen’ tot 'landmeeuwen’ getransformeerd en zeer talrijk geworden. In de jaren ‘80 waren er 225.000 broedparen. De reden hiervoor was de beschikbaarheid van voedsel. Doordat deze vogels niet erg schuw zijn en zich makkelijk aanpassen, konden ze profiteren van voedselresten op de akkers, in de steden en op onze vuilstortplaatsen.kokmeeuwengrafiek
Sindsdien is de populatie weer gehalveerd, in 2016 werden iets meer dan 100.000 broedparen geteld. Voedselproblemen door het afdekken van vuilstortplaatsen en intensief grondgebruik (verdroging, vermesting) in combinatie met predatie deden het aantal broedparen kokmeeuwen weer sterk afnemen. Vooral in het binnenland verdwenen veel kolonies. Bij ons is de kolonie die broedde op het Winkelsven ook geheel verdwenen. 

De grote kolonies in Noord-Brabant lijken zich tegenwoordig in de Biesbosch te bevinden (waarneming.nl) In het Waddengebied vergaat het de soort beter, daar zijn ook de grootste kolonies. ’s Winters overwinteren 400.000-600.000 kokmeeuwen in Nederland. 

Bronnen: ANWB Vogelgids van Europa, Lars Svensson
www.sovon.nl/nl/soort/5820

Foto’s: Jan Wolfs, Adri de Groot, Vogeldagboek